![]() menu |
Vernoemingsregels |
![]() next |
Hieronder enkele op internet gevonden stukken over vernoemingsregels.
Op deze pagina wordt een overzicht gegeven van de vernoemingsregels die ik de afgelopen jaren heb verzameld. Er worden hierover regelmatig vragen in de diverse nieuwsgroepen gesteld, zodat het mij handig leek deze regels op mijn internetpagina op te nemen.
Wie aanvullingen en/of correcties heeft op onderstaande regels, wordt gevraagd deze aan mij te emailen, zodat dit kan uitgroeien naar een zo compleet mogelijk overzicht van de vernoemingsregels.
Hans den Braber; per e-mail
Laatste wijziging: 30 december 2003
Algemene vernoemingsregels:
- 1e zoon vernoemd naar vaders vader
- 2e zoon vernoemd naar moeders vader
- 3e zoon vernoemd naar vader
- 1e dochter vernoemd naar moeders moeder
- 2e dochter vernoemd naar vaders moeder
- 3e dochter vernoemd naar moeder
Hier wordt soms vanaf geweken om voorrang te geven aan overleden voorouders
Variaties: de meeste voornamen hebben een mannelijke en een vrouwelijke vorm (bijv. Johannes, Johanna). Als na 3 of 4
kinderen geen zonen waren geboren, dan kreeg de dochter een vrouwelijke variant van de voornaam van de
grootvader.
Het omgekeerde geldt ook: als na 3 of 4 kinderen geen dochters waren geboren, dan kreeg de zoon een
mannelijke variant van de voornaam van de grootmoeder.
Onderstaand vernoemingsschema ben ik tegengekomen op de
Engelstalige internetsite: http://www.compter.org/info.htm. Dergelijke vernoemingsschema zou in Nederland gevolgd
worden.
- 1e zoon vernoemd naar vaders vader
- 2e zoon vernoemd naar moeders vader
- 3e zoon vernoemd naar vaders grootvader
- 4e zoon vernoemd naar moeders grootvader
- 5e zoon en volgend vernoemd naar favoriete broers of ooms van de ouders
Groningen
- Het was niet ongebruikelijk om de oudste zoon naar de grootvader van moederszijde te vernoemen als deze reeds was overleden en de grootvader van vaderszijde nog wel in leven was.
- De derde zoon of dochter werd meestal vernoemd naar de oudste broer van vaderszijde of de oudste zuster van moederszijde.
Drenthe
- Meestal kwamen eerst de voornamen van de voorouders aan de beurt. Eerst de grootouders van het kind (dat zorgt dan voor de voornamen van de eerste 4 kinderen), en dan de overgrootouders (de volgende 8 kinderen). Dat geeft 12 kinderen totaal.
Het getal 7 (Brabant/Limburg/België)
- Het 7e kind moest priester worden of het klooster in
- 7 jongens op rij: het peterschap van de Koning kan ingeroepen worden
septimum consequentur filium, filius septimus
De 7e zoon krijgt dezelfde voornaam van de Koning: Louis of Lodewijk
Aan de zevende zoon werden bijzondere kwaliteiten toegeschreven. Dat had te maken met de goddelijke status die de middeleeuwse koningen kenden. Ze werden in staat geacht om bepaalde kwalen te genezen.
Een Iers geloof is dat de zevende zoon van een zevende zoon helderziend zal zijn. - 7 meisjes op rij: het meterschap van de Koningin kan ingeroepen worden.
De 7e dochter krijgt de vrouwelijke vorm van de voornaam van de Koning: Louise.
Daarbij het recht om op kosten van de Koning een opleiding te volgen of te studeren.
"Op de website van de
Belgische monarchie lezen we het volgende: "De Koning en de Koningin zijn traditiegetrouw peter of meter van de zevende
zoon of dochter van een gezin, op voorwaarde dat het kind deel uitmaakt van een ononderbroken reeks van jongens,
respectievelijk meisjes. De Koning en de Koningin kunnen hun peterschap eveneens verlenen aan de 7de opeenvolgende zoon
of de 7de opeenvolgende dochter van een niet Belgisch gezin, dat reeds lange tijd in België woont. Het gaat hier om een
koninklijke gunst, die niet automatisch wordt verleend".
Publicaties:
- Broek, H. van den, 1997. En de zevende zoon die heet Louis. (PDF-bestand 2MB) D'n Uijtbeijndel, periodiek van Heemkundekring H.N. Ouwerling, nr. 37 (najaar 1997). Deurne.
- Engels, G., 1995. Zevende zoon/dochter. (PDF-bestand 2MB) D'n Uijtbeijndel, periodiek van Heemkundekring H.N.
Ouwerling, nr. 31 (voorjaar 1995). Deurne
Korte samenvatting van deze publicaties (door Luuk Keunen): De gewoonte om de zevende zoon of dochter Louis(e) te noemen is een bundeling van meerdere oude gebruiken. Kwam via de oudheid in het Christelijk geloof terecht (heilige getal 7). Vervolgens wordt ingegaan op genezen door aanraking van God of de koning (de vertegenwoordiger van God op aarde, zoals ze zichzelf zagen). Dat deden o.a. de Franse en Engelse koningen. Zo is men er in Ierland van overtuigd dat een zevende zoon over bijzondere geneeskrachtige eigenschappen beschikt. De zevende zoon kreeg om deze redenen de naam van de koning. Op 8 december 1996 werd koning Albert II van België voor het eerst peetvader van een zevende zoon, geboren in Oostende, en genoemd Albert, uiteraard! In 1905 werd te Empel als zevende zoon geboren Willem van Rooij, bijgenaamd Willem de Koning! Dit is het enig uit het artikel bekende voorbeeld van een zevende zoon die naar het Nederlandse koningshuis werd genoemd. In een smalle strook aan weerszijden van de Peel werden de zevende zonen en dochters Louis/Louisa/Lodewijk/Ludovicus/Aloysius genoemd. Hiervan zijn inmiddels meer dan 60 voorbeelden bekend uit de periode 1719 tot 1968. Op 13 juni 1929 werden zelfs in Venlo geboren in een gezin dat al bestond uit zes zonen en zes dochters: Louisa Josephina Gertruda en Louis Gerardus Antonius - Diverse interessante websites:
- Een zevende zoon die Louis heet; website Scheepens.
- Website Belgisch Koningshuis, zie onder "Petekinderen"
- Koning wordt Peter van zigeunerjongen
- Vernoemingsregels in het Land van Kessel en het Maas- en Swalmdal, door Piet van Enckevort (website offline, zie hieronder)
Overige wetenswaardigheden rond vernoemen en dopen:
- grootouders zijn vaak zelf aanwezig als doopgetuigen
- als er twee kinderen in hetzelfde gezin dezelfde voorna(a)m(en) hadden, dan is er een grote kans dat het oudste kind overleden is voordat de tweede is geboren. Er zijn echter uitzonderingen bekend, vaak het gevolg van consequent vernoemen. Ter onderscheiding werd dan "de oude" of "de jonge" toegevoegd. Ook dit was niet altijd het geval; hoogstwaarschijnlijk werd dan ter onderscheiding een verschillende roepnaam gehanteerd.
- als twee kinderen uit een gezin - vlak na elkaar geboren - dezelfde doopgetuigen hadden, dan is waarschijnlijk het oudste kind jong overleden.
- je ziet vaak dat een kind naar de vader wordt vernoemd als het kind (kort) na diens overlijden wordt geboren (als postuum eerbetoon of om de voornaam in de familie te houden)
- het eerste kind uit een tweede huwelijk werd genoemd naar de overleden partner van 1 van de echtelieden.
- broers en zusters worden als doopgetuigen genomen, als deze circa 12 jaar of ouder zijn.
- een jongetje geboren uit een onwettige relatie krijgt de voornaam van de vader. (Dit kan een aanwijzing opleveren voor de mogeljke vader als zijn naam niet genoemd wordt in de doop- of geboorteakte).
- een meisje geboren uit een onwettige relatie krijgt de voornaam van de moeder.
- het komt vaak voor dat de dopeling dezelfde voornaam heeft als één van de doopgetuigen.
- plaatsvervangers bij dopen zijn (bijna) altijd vrouwen.
Bijzondere regels:
- Een drieling bestaande uit drie jongetjes wordt vernoemd naar de Drie Koningen Caspar, Balthazar en Melchior.
Met dank aan de bijdragen van: Ed Boeren, Harry Hoeksema Dzn, Hans Homan Free, René Luijkenaar, Hein Vera.
Bron: http://www.den-braber.nl/diversen/vernoemen/
Vernoemingsregels
in het Land van Kessel en het Maas- en Swalmdal
Piet van Enckevort
met aanvullende voorbeelden door Loe Giesen
INLEIDING
Wanneer een kind op komst is, gaan de toekomstige ouders op zoek naar een voornaam. Men kijkt elke dag in de krant
bij de geboorteaankondigingen en de "mooie" namen worden alvast genoteerd. Sommige gaan nog verder en raadplegen
voornamenboekjes. Overleg met de aanstaande grootouders is er meestal niet bij. Kortom, men kiest voor de toekomstige
zoon of dochter een voornaam die de ouders leuk vinden. De gekozen voornaam heeft geen verwijzing of binding met hun
eigen familie, eerder het tegengestelde: de voornaam moet liefst nog niet in hun familie voorkomen. Als tegemoetkoming
aan de wensen van de toekomstige grootouders wordt af en toe nog een tweede en/of een derde voornaam toegevoegd.
Onze
voorouders hadden het gemakkelijker bij de naamgeving van hun kinderen. Zij gingen volgens oude gebruiken te werk, die
nergens geschreven stonden, maar door overlevering toch bij alle moeders bekend waren. Het was een tijd dat iedereen nog
waarde hechtte aan de oude tradities op velerlei gebied. Bij de geboorte van een kind waren meerdere gebruiken in zwang,
zoals de keuze van peter en meter, het aantal voornamen, de vernoeming van het kind, het tijdstip van dopen, wie
brachten het kind naar de kerk enz.
Deze oude tradities waren streeksgewijze niet hetzelfde en veranderden in de loop
der tijden wel door invloed van buitenaf. Deze wijziging van tradities ging wel uiterst langzaam. Een goed voorbeeld van
een langzame verandering in oude tradities is het aantal voornamen dat door onze voorouders aan de kinderen werd
gegeven. In 1632 wordt het eerste kind gedoopt in Sevenum met twee voornamen. Het duurde bijna 250 jaar, voordat de
helft van de kinderen in Sevenum twee voornamen kreeg.
Hoe deze gebruiken waren in het begin van deze eeuw weten onze
ouders en grootouders nog wel te vertellen. Hoe de gewoontes waren in 1800 en eerder is slechts beperkt onderzocht en
de literatuur hierover laten we in het kort de revue passeren.
NEDERLANDSE VERNOEMINGSREGELS - ONDERZOEK TOT HEDEN
Onderzoek naar vernoeming in de 18de eeuw is tot heden niet gedaan (1). Volgens een onderzoek door Sierksma (2) over de tweede helft van de vorige eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw kwam als algemene regel naar voren:
A Het eerste kind werd steeds naar de grootouders van vaderskant vernoemd. Het tweede kind naar de grootouders van de moederskant, of
B Is het eerste kind een jongen, dan werd hij naar de grootvader van vaderskant genoemd, is het een meisje dan naar de grootmoeder van moederskant. De 2e zoon werd dan vernoemd naar de grootvader van moederskant en het 2e meisje naar de grootmoeder van vaderskant. Vervolgens kwamen de ooms en tantes van het kind in aanmerking voor vernoeming.
Van der Schaar (3) (met name Zuid- en Noord-Holland) en Blok, bekende namen op het terrein van de onamastiek hebben
deze indeling onderschreven en aangevuld, met de opmerking dat in deze eeuw A en B wel door elkaar lopen in bepaalde
streken en dat de vernoemingsgebruiken in deze eeuw afnemen
Blok heeft voor zijn onderzoek gebruik gemaakt van de 5e
naamkunde vragenlijst van de centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen (tegenwoordig P.J.
Meertensinstituut).
De vernoeming in Nederland bracht hij op een kaart, waaruit blijkt dat voor Limburg type B gold:
is het eerste kind een jongen dan wordt deze vernoemd naar grootvader van vaderskant. Een meisje wordt vernoemd naar de
grootmoeder van moederskant. Blok vermeldt summier: "in de meeste streken geldt het voorbehoud dat overleden grootouders
voorgaan".
In Limburg is een onderzoek bekend van N.G.H.M. Eussen, gepubliceerd in Liber Amicorum Jean Knoors
(4). Volgens Eussen was het gebruik in Limburg en met name in Sittard en omgeving, waar een onderzoek werd verricht over
de periode 1588-1623, als volgt: "De keuze van de voornaam was over het algemeen afhankelijk van de naam van de peter en
meter, in de regel naaste familieleden. Het doopgetuigschap was aan vaste regels gebonden: was de eerstgeborene een
jongen, dan was de vader van vaderszijde, dus de grootvader, de getuige en naamgever; was het een meisje dan was
de moeder van moederszijde meter en naamgeefster. Bij een tweede kind werden de rollen omgedraaid: peter was dan de
vader van moederszijde en meter de moeder van vaderszijde. Na de grootouders volgden de ooms en tantes, derhalve broers
en zusters van de vader en moeder en dat keurig op rij van geboorte. Afhankelijk van het geslacht van het kind werd de
peter of meter naamgeefster. Daarna kwamen de aangetrouwde ooms en tantes aan de beurt. Slechts zeer sporadisch werd van
deze vuistregel afgeweken. In speciale gevallen kregen geestelijken en adellijke personen de voorkeur."
Volgens
Eussen was de voornoemde aangehaalde volgorde in keuze van de peter en meter het oude gebruik en resulteerde hieruit de
voornaam van het kind. De naam van het kind kwam dus op de tweede plaats en de keuze van de naam was daarmee afhankelijk
van de namen van de peetouders. Volgens Ubachs (5) vormden "Peetschap en vernoemen" in Limburg één geheel. Vaste regels
bepaalden welk familielid aan de beurt was en deze persoon trad dan op als "peter of meter en naamgever".
Ook Regis
de La Haye (6) gaat in op de vernoeming. "De voornamen worden betrokken uit de nabije familie. De oudste zoon krijgt de
naam van zijn grootvader van vaderszijde, de oudste dochter de naam van haar grootmoeder van moederszijde. Als deze nog
in leven zijn treden ze tevens op als peter en meter. De tweede zoon krijgt de naam van grootvader van moederszijde en
de tweede dochter de naam van de grootmoeder aan vaderzijde. Daarna worden de kinderen vernoemd naar hun
overgrootouders, zeker als ze nog in leven zijn, of naar broers en zussen van de ouders, dus hun ooms en tantes. Wanneer
een kind in de eerste levensjaren overlijdt, krijgt het volgende kind van hetzelfde geslacht dat daarna geboren wordt,
de voornaam van het overleden kind. Een postuum geboren zoon wordt vernoemd naar zijn overleden vader. De eerste zoon of
dochter uit het tweede huwelijk wordt vernoemd naar de overleden eerste echtgenoot of echtgenote." De zevende zoon (soms
ook kind) kreeg plaatselijk de naam van de souverein, of de plaatselijke Heer of Vrouwe. Regis: "Deze principes van de
tradionele naamgeving worden praktisch altijd zeer nauwkeurig gerespecteerd. Uitzonderingen komen hoogst zelden
voor."
Over vernoemingen in de jaren voor 1600 is slechts een onderzoek bekend; dit heeft betrekking op bekende oude
geslachten in de regio Haarlem.
De conclusies van dit onderzoek door Thierry de Bye Dólleman (7) waren:
a Het is een uitzondering om grootvader of grootmoeder te vernoemen als deze nog in leven zijn.
b Het recht om een naam te kiezen ligt afwisselend bij vader of moeder, met dien verstande, dat de vader voor de eerste zoon een naam kiest, de moeder voor de tweede zoon, enz. terwijl bij de dochters de omgekeerde volgorde geldt.
c Voor de eerste zoon wordt de naam van de grootvader van vaderskant gekozen als deze reeds overleden is. Leefde deze grootvader nog, dan werd een van de overgrootvaders van vaderskant gekozen. Zo ook met de vernoeming naar grootmoeders van de dopeling.
d Bij een postuum geboren kind wordt dit vernoemd naar zijn vader en bij het overlijden van de moeder in het kraambed wordt eveneens het kind vernoemd naar zijn moeder. Bij een tweede huwelijk wordt het eerste kind vernoemd naar de overleden partner uit het eerste huwelijk.
Vermeld wordt tevens dat bij een beperkt onderzoek deze vernoemingsgebruiken ook in het tegenwoordige Zuid-Holland
voorkwamen en dat de situatie in het begin van de 17e eeuw in Bergen op Zoom ook nauwelijks verschilde met de conclusies
van Thiery.
Een ander oud gebruik was het áántal voornamen dat een kind kreeg. Onderzoek is ook hier weer zeer
beperkt. De conclusies waren:
Algemeen werd voor 1700 slechts een voornaam gegeven. Daarna beginnen de aanzienlijke
families en met name in de steden, met twee en meer voornamen te geven. Opvallend was dat twee voornamen bij meisjes
meer voorkwam dan bij jongens. Verder was het kenmerkend, dat de aanvang met het geven van meer dan een voornaam per
regio erg verschillend was. (8)
In Swalmen en Asselt treffen we twee voornamen aan vanaf 1643
(en wel op kasteel Hillenraad), gevolgd door enkele notabelen die het voorbeeld schoorvoetend volgen. Beeselse
voorbeelden verschijnen door de verdwijning van oude doopregisters helaas pas vanaf het begin van de 18e eeuw, maar ook
hier zien we de gegoede families en families met kerkelijke relaties het voortouw nemen. In Belfeld is de eigenaar van
Malbeck de eerste die een van zijn kinderen in 1683 meerdere voornamen geeft. Pas in het midden van de 18e eeuw komen
meerdere voornamen ook hier enigszins in zwang.
Op het eind van de jaren 70 had ik een aardige genealogie van mijn familie Van Enckevort samengesteld en vele malen
las ik in andere genealogiëen de trotse vermeldingen dat steeds de vernoemingen bij het eerste kind de grootvader was
van vaderskant, terwijl dat bij mijn met zorg vergaarde gegevens niet klopte. Ook werden sommige grootouders helemaal
niet vernoemd. In het begin was de conclusie: opnieuw beginnen.
In die zelfde tijd had "meester" Peters uit Helden
"gezinsklappers" samengesteld van Helden en vervolgens Sevenum. Opvallend was de gezinsgrootte vóór 1700: zeer klein,
gemiddeld 2 à 3 kinderen en na 1700 gemiddeld 5 à 6. Dit kon ook niet. Ten einde raad heb ik eerst handmatig en later
met behulp van de computer de DTB registers van Sevenum opnieuw verwerkt en de gezinnen samengesteld op voornaam van de
ouders. Vervolgens nog een stuk van de Burgerlijke Stand tot 1930.
De gezinsgrootte voor 1700 werd hierdoor opgelost,
dankzij de meerdere achternamen van een bepaald gezin.
Met behulp van de computer kan men veel gegevens uit die tijd
in kaart brengen, zoals het aantal voornamen, de tradities van peter en meter, maar ook de vernoemingen, met name bij de
eerste vier kinderen.
ALGEMENE VERNOEMINGSREGELS VÓÓR 1850 IN NOORD-LIMBURG
Op basis van mijn onderzoek kom ik tot de volgende regels:
A De kinderen werden naar overleden familieleden genoemd, nooit naar in leven zijnde familieleden.
B Een overleden familielid werd slechts eenmaal vernoemd in hetzelfde gezin.
Overleed een kind, vernoemd bijvoorbeeld naar zijn grootvader, dan werd dit overleden kind vernoemd bij het eerst daaropvolgende geboren broertje of zusje en dus niet opnieuw de grootvader.
C Geslachtsverwisseling bij vernoeming komt vaak voor.
Is het kind een jongen en het te vernoemen familielid een vrouw, dan werd dat heel eenvoudig opgelost door een bijpassende voornaam te nemen, die van dezelfde heilige afgeleid is. Ik noem dit geslachtsverwisseling, bijvoorbeeld Johanna voor Joannes, Wilhelmina voor Wilhelmus, Gertrudis voor Gerardus, Petronella voor Petrus, Jacoba voor Jacobus. En natuurlijk ook omgekeerd.
D Bij de vernoeming wordt een vrij vaste volgorde gehanteerd.
1 Vernoeming naar overleden ouder.
Vernoeming naar een overleden ouder kwam alleen voor
als de vader tijdens de zwangerschap overleed (postuum) of de moeder bij de geboorte (in puerperis). Was
de moeder in het kraambed overleden dan werd het kind vernoemd naar de overleden moeder. Bij een postuum geboren kind
werd het kind vernoemd naar zijn vader.
2 Vernoemen naar overleden ex-partner uit eerder huwelijk.
Een tweede en derde huwelijk
van een der ouders kwam vaak voor. Het eerste kind uit het tweede huwelijk werd vernoemd naar deze overleden ex-partner
uit het eerste huwelijk. Hierop was een uitzondering: was deze ex-partner reeds vernoemd bij het laatste kind in het
voormalige gezin, dan volgt geen vernoeming meer. Is het kind dat werd vernoemd naar de overleden ouder inmiddels
gestorven, dan wordt dit overleden kind vernoemd.
3 Vernoemen naar overleden broer of zus.
Vernoeming naar een overleden broer of zuster
kwam veelvuldig voor. Als een kind met dezelfde voornaam als een oudere broer of zus gedoopt werd, dan betekent dit
veelal, dat het eerder geboren kind overleden was. Twee kinderen met de zelfde voornaam kwamen in mijn onderzochte
families sporadisch voor en dan minimaal 10 jaren leeftijdverschil.
4 Vernoemen naar overleden grootouder.
Vernoeming naar een der overleden grootouders kwam
het meeste voor. Wanneer de grootouders overleden waren en de dopeling een jongen was, dan werd de grootvader van
vaderskant het eerst vernoemd en bij de tweede zoon kwam de grootvader van moederskant aan de beurt. Was de dopeling een
meisje dan kwam eerst de grootmoeder van moederskant aan de beurt. Het kwam ook voor dat eerst díe grootouder werd
vernoemd, die al het langst dood was.
Overleed een grootouder, dan wordt het eerstvolgend kleinkind vernoemd naar
deze overleden grootouder.
5 Vernoemen naar overleden overgrootouder.
Wanneer de grootouders nog in leven zijn, dan
zijn de eerste kinderen veelal vernoemd naar overleden overgrootouders. De overleden grootouders gaan echter altijd voor
de overgrootouders.
6 Vernoemen naar overleden familieleden.
Bij een groter aantal kinderen in een gezin ziet
men regelmatig de overleden ooms en tantes vernoemd worden.
Na het vierde kind gaat een overleden broer of zus van de
ouders meestal voor de overgrootouders.
7 Vernoemen naar kerkpatroon bij het 7e kind.
Wanneer een grootmoeder Maria of Catharina
vernoemd moet worden, (waarvan geen mannelijke heiligenaam bekend is) en het geboren kind is een jongen, dan is in
Sevenum diverse malen de naam Sebastiaan, onze kerkpatroon, toegepast en het eerstvolgende meisje wordt dan vernoemd
naar de overleden grootmoeder. Ook enkele malen komt de naam Sebastiaan voor als alle grootouders nog in leven zijn en
men de voorkeur geeft aan de kerkpatroon i.p.v. een overleden overgrootouder.
De 7e zoon wordt na 1660 meestal naar
Lodewijk genoemd, maar ook de 7e dochter respektievelijk het zevende kind.
OPMERKINGEN BIJ DE VERNOEMINGSREGELS
Hebben de beide grootouders van het kleinkind dezelfde voornamen, en/of twee van de vier overgrootouders eenzelfde
voornaam, dan kwam het probleem dat men twee of meerdere kinderen met dezelfde voornaam zou krijgen.
In de praktijk
kwam dit echter weinig voor. Om te vernoemen moesten deze gelijknamige te vernoemen personen ook overleden zijn. Om geen
gelijke voornamen te krijgen was de GESLACHTSVERWISSELING een goede mogelijkheid om dit te ondervangen.
Twee kinderen
met dezelfde voornaam in een gezin kwam alleen voor in een groter gezin, wanneer deze tweede vernoeming meerdere jaren
later (10 of meer) plaats vond.
Het traditionele gebruik van het vernoemen naar overleden familieleden wordt in de
19e eeuw door veel Sevenumse families nog voortgezet. Met de opkomst van twee voornamen worden ook nog in leven zijnde
grootouders vernoemd, ongetwijfeld mede door de huwelijken met Brabantse inwoners, die in de 18e eeuw "het overleden
zijn" bij vernoemingen al niet meer toepasten.
Restanten van deze vernoemingsregel werden tot het midden van de 20e
eeuw toegepast. Het eerste kind van mijn ouders (1926) werd naar grootvader van moederskant vernoemd, daar deze
overleden was en grootvader van vaderskant nog leefde. Het kind overleed na enkele maanden, waarna mijn oudste broer
geboren werd die vervolgens vernoemd werd naar zijn overleden broertje.
Hetzelfde gebeurde in de familie van mijn
echtgenote: haar oudste broer werd in 1937 genoemd naar grootvader van moederskant, daar deze overleden was en
grootvader van vaderskant nog leefde (Tegelen).
Schrijver dezes, geboren in 1934, werd vernoemd naar een overleden
oom. De voornaam van de peter werd als derde voornaam genomen en de voornaam van de meter (tante Beth) werd niet als
gepast gevonden voor een jongen en daarom werd de naam van de man van de tante als tweede voornaam meegegeven.
Het
zevende kind in een gezin vormde (zeker als het jongen was) vaak een uitzondering op de vernoemingsregel. Na 1650 wordt
dan de naam Lodewijk gegeven respektievelijk Ludovica wanneer het zevende kind een meisje is. Een arts uit
Deurne heeft een onderzoek gedaan naar dit gebruik.
Ook in Swalmen kwam dit voor, waar bij
Ludovicus Custers op 18-01-1684 werd aangetekend dat hij 'septimus filius' was. Ludovicus Dorssers werd op 26-07-1704 in
Kessel gedoopt als 7e kind van het echtpaar Dorssers-Heijmans. Ludovicus Evers, gedoopt Swalmen 12-01-1744, was eveneens
een zevende kind. En in Beesel werd Ludovicus Reijnders op 29-03- 1761 gedoopt als 'filius septimi' en daarmee jongste
zoon van een echtpaar waarvan overigens slechts zes kinderen bekend zijn. Deze regel betekent nadrukkelijk niet dat
ieder zevende kind een Ludovicus of Ludovica is; andere namen komen in het Maas en Swalmdal veel meer voor.
Vernoemen naar de kerkpatronen kwam in Sevenum ook voor. De kerkpatronen zijn Fabianus en Sebastianus. De heilige
Fabianus werd niet erg gewaardeerd. Slechts eenmaal werd hij vernoemd als 6e kind in 1844 bij de familie Tielen:
Fabianus Hubertus Tielen (geboren Sevenum 20-01-1844, overleden aldaar 21-02-1923). En het 7e kind kreeg de namen
Sebastianus Franciscus Hubertus Tielen (geboren 20-01-1844, overleden 21-01-1844). Sebastianus was meer in trek; hij
werd ongeveer 20 keer vernoemd in Sevenum tussen 1650-1930.
Voor Maas- en Swalmdal is deze regel niet zuiver na te
gaan. Vast staat, dat Dionysius (Asselt) en zeker Urbanus (Belfeld, geen enkele vernoeming) geen populaire namen waren.
Ook bij toch gangbare namen als Gertrudis (Beesel, als patronesse heel misschien enkele malen vernoemd bij meisjes
gedoopt op haar naamfeest 17 maart) en Lambertus (Swalmen, 14 september) zijn geen keiharde voorbeelden van vernoeming
van de kerkpatroon of patronesse. Vanaf het einde van de 19e eeuw komen in Reuver (St.-Lambertusparochie) de namen
Lambertus en Lamberta of Lambertina opmerkelijk vaak voor als tweede of derde voornaam.
Opmerkelijk zijn de namen van
Erwijnus Joannes Nepomucenus Schrijnewerckers (gedoopt Swalmen 17-12-1738). Hij werd vernoemd naar Erwijnus markies de
Hoensbroeck (die zich als doopgetuige liet vervangen door de vice-pastoor van Asselt) en naar de H. Joannes
Nepomucenus.
DE KEUZE VAN PETER EN METER VOOR 1850
Als peter en meter worden bij de eerste twee kinderen meestal de grootouders genomen. Bij het eerste kind, ongeacht
of dit een jongen of meisje is, is dit de grootvader van vaderskant en grootmoeder van moederskant.
Bij de volgende
dopelingen was het gebruikelijk de peter en meter beurtelings uit de beide familie te kiezen, te beginnen met de oudste
ooms en tantes.
Zijn er grootouders overleden, dan schuiven de ooms en tantes van de dopelingen naar voren. Een
stiefgrootouder neemt gewoon de plaats in van de grootouder als peter of meter. Als vernoeming kwam de stiefgrootouder
wel eens in aanmerking in een groot gezin.
Inwonende oudtantes en oudooms kwamen zowel in aanmerking voor peter en
meter bij het dopen als ook na hun overlijden bij de vernoeming. Af en toe viel de keus op een "broodheer" als peter of
meter. Zo komt de familie Schenck van Nijdeggen in Sevenum diverse malen voor als doopgetuigen bij de geboorten van
kinderen van hun pachters en hun dienstpersoneel. Ook werd soms de voornaam van de broodheer als tweede naam gegeven
aan de dopeling.
Voorbeelden van broodheren als peter en meter treffen we aan in Belfeld
(eigenaar Antonius Ferdinand van der Reidt is op 22-12-1738 doopgetuige bij een van de kinderen van zijn pachters Thomas
Jacobs en Catharina Knippenberg), Offenbeek (Christianus Mela, op 11-03-1738 als prior van de Kruisheren uit Roermond
peter bij een van de kinderen van Renier Olders, pachter van de Onderste Hof) en alle andere plaatsen uit het werkgebied
van Maas- en Swalmdal.
Vernoeming treffen we al aan bij een eerste en enige doopnaam, zoals bij Baltasar Rameeckers
(gedoopt Swalmen 16-02-1723, zoon van de jager van kasteel Hillenraad dat op dat moment werd beheerd door rentmeester
Baltasar Wijhers).
Uit het voorgaande volgt dat de peetvader van het eerste kind de grootvader is van vaderskant, mits deze in leven is.
Is hij overleden, dan is de voornaam van deze grootvader gelijk aan de voornaam van het kind wanneer de dopeling een
jongen is (mits 1 en 2 niet in aanmerking komen).
In dit laatste geval is de peetvader de grootvader van moederskant,
mits niet overleden. Ditzelfde geldt voor de peettante van het eerste kind. Zij is de grootmoeder van moederskant, mits
niet overleden. Is zij niet meer in leven, dan is haar voornaam gelijk aan het eerste kind van het vrouwelijk geslacht
(mits 1 en 2 niet in aanmerking komen). Wel rekening houden met mogelijke geslachtsverwisseling bij de naamgeving, zeker
als alle grootouders overleden zijn.
Belangrijk zijn ook de plaatsvervangers bij de dopen: komt als peter en meter van een der partijen telkens een
plaatsvervanger, dan komt die partij uit een ander dorp. Komt geen enkel familielid opdraven bij bijvoorbeeld vijf
kinderen, dan is de afstand van de plaats van herkomst van de partner die vervangen wordt, meer dan een halve dag
gaans.
Wanneer een "vreemde" voornaam opduikt in een familie, zoek die naam dan bij de aangetrouwde familieleden.
VERSCHILLEN EN OVEREENKOMSTEN BIJ HET VERNOEMEN IN NOORD-LIMBURG,VERGELEKEN MET ONDERZOEKEN ELDERS IN NEDERLAND
a De gebruiken bij vernoemingen in het Land van Kessel en in het Maas- en Swalmdal vergeleken met de hiervoor aangehaalde gebruiken in de rest van Nederland hebben een kenmerk gemeen: de kinderen worden vernoemd naar familieleden.
b De conclusies van de heren Sierksma, Van der Schaar en Blok dat in Limburg model B toegepast werd, kwam eind vorige eeuw en begin van 20e eeuw hier inderdaad veel voor (eerste kind als het een jongen is naar grootvader van vaderskant, indien een meisje, dan naar grootmoeder van moederskant), met de opmerking dat bij vernoeming naar grootouders de overleden grootouder plaatselijk voorgaat.
c Echter vóór 1800 is deze vernoemingsregel niet bruikbaar in Noord-Limburg.
d Opvallend zijn de uit Zuid-Limburg afkomstige gegevens van dhr. Eussen, waar de peter en meter
tevens de naamgevers worden genoemd.
Vernoemen naar de peter of meter kwam in deze streek vóór 1900 nooit voor. Circa
5 tot 10% van de peter of meter had wel dezelfde voornaam als de te vernoemen overleden persoon, maar dit is logisch
gezien het beperkt aantal in gebruik zijnde voornamen.
Naar aanleiding van de conclusies van dhr. Eussen ("de vier
grootouders zijn peter en meter bij de eerste twee kinderen") moet ik enkele kanttekeningen plaatsen. Slechts twee
grootouders zouden hier hun naam kunnen geven. De andere twee grootouders zouden dus niet vernoemd worden? En wat als de
grootouders al overleden waren?
e Regis de La Haye wees ook op de vernoeming in Limburg van een overleden partner in vorig huwelijk en de vernoeming naar overleden broers en zusters van de dopeling. Dit gebeurde hier ook. Echter het overleden zijn om voor vernoeming in aanmerking te komen was in Zuid-Limburg blijkbaar niet van toepassing.
f Regis praat niet over de jaren waarin dit gebruik gangbaar was en gaat er van uit dat het vernoemingsgebruik in de loop der eeuwen niet veranderd is.
g Vernoeming naar de souverein of plaatselijke Heer komen we in Sevenum ook niet tegen.
Beesel lijkt wel enkele aardige voorbeelden te kennen wat betreft dit soort vernoeming als eerbetoon. Zo
wordt de eerste zoon uit het huwelijk van Godefridus de Haen en Adriana van den Breuck op 30-08-1749 vernoemd naar
doopgetuige Joannes Franciscus de Collignon, aan wie zij enkele maanden eerder kasteel Nieuwenbroeck en hoeve de Kamp
met toebehoren hadden verkocht.
De Collignon was op 15-04-1753 doopgetuige en naamgever bij een kind uit het gezin
Peters-Bongaerts, pachters van hoeve de Kamp, en op 01-11-1763 bij een zoontje van koster Meuter.
h De conclusies over de gebruiken in Haarlem voor 1600 bij adellijke geslachten hebben veel gemeen met de vernoemingsgebruiken in deze regio tot de vorige eeuw.
Volgens dat onderzoek werden de kinderen vernoemd naar uitsluitend overleden familieleden. De naamgeving bij postuum geboren kinderen was daar ook in gebruik. Het "recht van de vader" om een naam te kiezen lijkt mij bij de burgerlijke bevolking niet waarschijnlijk. De naamgeving is eerder een vrouwenaangelegenheid.
i De geslachtsverwisseling bij vernoeming (een meisje noemen naar een overleden mannelijk
familielid en omgekeerd) wordt nergens vermeld in de tot heden gedane onderzoeken naar naamgeving.
Enkele voorbeelden van geslachtsverwisseling uit eigen regio: Wilhelma Raemekers (gedoopt Swalmen 06-03-
1654), vernoemd naar wijlen haar vader Wilhelmus (begraven Swalmen 10-10-1653); Frederica Fredericx (gedoopt Swalmen 24-
03-1664), vernoemd naar haar kort daarvoor overleden vader Fredericus (begraven Swalmen 04-03-1664); Jacoba Slabbers
(gedoopt Swalmen 03-12-1669) en Jacoba Jacobs (geboren Belfeld 26-03-1795), vernoemd naar hun vader Jacobus.
j Dat overleden personen slechts eenmaal werden vernoemd binnen een gezin vinden we niet
opgetekend in de diverse literatuur over vernoemen.
Zo werd Daniel Houx, zoon van Henricus
Houx en Barbara Emonts uit Swalmen, bij zijn doop op 04-10-1698 vernoemd naar Daniel Emonts. Kleine Daniel moet jong
zijn overleden en wordt op zijn beurt op 25-02-1701 vernoemd bij zijn jongere broertje, daarmee opnieuw een Daniel. Deze
wordt op 29-10-1702 begraven, waarna op 30-10-1703 opnieuw een Daniel Houx wordt gedoopt. Beide laatste Daniels zijn dus
niet vernoemd naar Daniel Emonts, maar naar hun jong overleden broertjes.
Volgens Bernet Kempers was het in Joodse kringen in de 20e eeuw nog gebruikelijk om hun kinderen te vernoemen naar
overleden grootouders en overgrootouders. In het oosten van Indonesië werd een kind ook nimmer vernoemd naar een nog in
leven zijnde bloedverwant.
Dat Sevenum andere gebruiken heeft gehad als de directe omgeving lijkt mij
onwaarschijnlijk. Steekproeven in omliggende gemeenten geven het zelfde gebruik als Sevenum. Voorlopige conclusie is dat
deze vernoemingsgebruiken voor het hele gebied van het voormalige Land van Kessel en het Maas- en Swalmdal
opgaan.
Als er in de omgeving van Haarlem en Bergen op Zoom voor 1600 en Noord-Limburg tot 1800 vernoemingsgebruiken
waren, die nagenoeg hetzelfde zijn, waarom dan in het grootste deel van Nederland anders?
De veronderstelling dat
voor 1600 de vernoeming naar uitsluitend overleden familieleden een traditiooneel gebruik was in meer streken, lijkt mij
zeer voor de hand liggend. Onderzoek zal dit nog moeten uitwijzen.
Met de komst van het protestantisme werden veel
oude gebruiken aangepast. Mogelijk ook de vernoeming naar overleden personen, wat men mag zien als heidens of
onchristelijk, maar ook als een oud gebruik bij de katholieken.
De stelling: de uitzondering bevestigt de regel gaat
voor deze vernoemingsregel ook op. Ik heb enkele uitzonderingen op deze regel gevonden, waarvoor ik tot nu toe geen
verklaring heb kunnen vinden.
SLOTOPMERKINGEN
De vernoeming naar overleden familieleden stamt uit een ver verleden en is mogelijk terug te voeren op gebruiken ten
tijde van de Germanen.
De pasgeborene werd genoemd naar een overleden familielid. Door de vernoeming spreken
de ouders de wens uit, dat de goede eigenschappen van de vernoemde en iets van diens persoonlijkheid op de nieuw
geborene zullen overgaan. Door deze vernoeming blijft een voornaam vele generaties in dezelfde familie
voortleven.
Bij sommige volkeren (Lappen) liggen hieraan reïncarnatie- gedachten ten grondslag. Door het kind naar de
overleden grootvader te noemen werd als het ware de grootvader herboren. Dit is ook een Germaanse
gedachtengang.
Blijkbaar werden deze oude gebruiken tot voor kort ook hier in ere gehouden!
Met de komst van het
Christendom veranderde deze traditie niet. Het concilie van Trente (1545-1563) gaf de opdracht aan de pastoors om de
huwelijken en dopen te registreren. De instructies over het geven van doopnamen staan in de Catechismus Romanus (1566),
uitgegeven in opdracht van het concilie. Hier staat in "Eindelijk geeft men een naam aan den gedoopte. Daarvoor zal men
den naam kiezen van iemand, die om zijn uitstekende vroomheid en godsdienstigheid, onder het getal der heiligen
opgenomen werd. Met de naam van een heilige te dragen, zal men gemakkelijk opgewekt worden om ook zijn heiligheid en
zijn deugd na te volgen".
Dit wil echter niet zeggen dat de pastoors het kind een naam gaven. De ouders gaven het
kind een roepnaam, de pastoor zocht een hierbij passende heilige. Dat de Germaanse traditie van naamgeving en de wens
van de Kerk om Heiligen namen toe te passen zonder problemen in elkaar pasten, blijkt duidelijk uit de naam Dirk, een
verkorte naam van Diederik. Bij de doop werd dit Theodorus, in het dagelijks leven bleef het Derik. Zo ook Gerit of
Gerhard (gedoopt als Gerardus) en Hein of Heinrich (Henricus). In 1915 werd door pastoor Graaf een lange lijst met
inheemse voornamen samengesteld met de hierbij corresponderende "geschikte heiligen".
Deze vernoemingsregel
verklaart ook het verschijnsel van het verdwijnen van bepaalde voornamen in bepaalde families, zoals Kiliana (Leysten)
en Amelbergus (Ummel), Gisbertus (van Enckevort).
In Brabant wordt in de 18e eeuw de eerste zoon vernoemd naar zijn
grootvader, ongeacht of hij al of niet overleden is. Gevolg is dat er veelvuldig grootvader en kleinzoon met de zelfde
voornaam en achternaam op de zelfde boerderij wonen. Om deze toch uit elkaar te houden kregen ze een extra toenaam, Jan
junior en Jan senior, of Jan de Jonge en Jan de Oude. Dat hierdoor de achternaam ontstaan is van De Jong is wel
duidelijk. In Brabant staat de achternaam De Jong op de 10e plaats van de meest voorkomende achternamen in 1947 met
totaal 4550 maal. In Limburg 629 maal waarvan de meeste in Zuid-Limburg. In Horst en Sevenum kwam deze achternaam niet
voor in 1947. Ook voor 1900 wordt de achternaam De Jong in Sevenum niet vermeld. Dit geeft ook aan dat de
vernoemimgsgebruiken in Noord-Limburg afweek van Noord-Brabant in de tijd dat de achternamen vast doorgegeven werden aan
de kinderen. Dit was voor Sevenum omstreeks 1700.
Ook in het Maas- en Swalmdal komen we
geregeld de toevoegingen 'de Jonge' en een enkele maal 'de Oude' tegen om onderscheid te maken tussen personen met
eenzelfde voor- en achternaam. Enkele voorbeelden: Jan Thielen den Alde (Offenbeek 1559), Jan Pijpers de Jonge (Swalmen
1668), Jacob Bongers de Jonge (Beesel 1781). Bij heel wat gevallen gaat het hier om vader en zoon. De toevoegingen
'junior' en 'senior' treffen we vooral aan in de Latijnse kerkregisters, vanaf midden 19e eeuw ook steeds vaker bij
notarissen.
Piet J.M. van Enckevort
- K. Sierksma, De traditie der voornamen, 1946.
- Van der Schaar, Woordenboek van voornamen, 1964 en herdrukken (ook in de reeks Prisma Woordenboek verschenen) en Spectrum Voornamenboek, 1992.
- N.G.H.M. Eussen, Doopnamen te Sittard 1588-1623. In Liber amicorum Jean Knoors. Bundel aangeboden aan Jean Knoors bij zijn 50ste verjaardag Sittard 1989 36-63.
- P.J.H. Ubachs, Voornamen in beide Limburgen 1500-1795. Een eerste verkenning. In munier ecclesiam. Opstellen over 'Gewone Gelovigen'. Aangeboden aan prof dr W.A.J. Munier ss.cc. bij zijn zeventigste verjaardag. Maastricht 1990, 56-79.
- Regis de La Haye, Limburgse voorouders. Handleiding voor genealogisch onderzoek in Limburg, Maastricht 1994.
- M. Thierry de Bye Dólleman, Gewoonten en gebruiken met betrekking tot de naamgeving aan kinderen voor 1600. In Holland 6, 1974 blz 289 enz.
- R.A. Ebeling, Voor- en familienamen in Nederland, Geschiedenis, verspreiding, vorm en gebruik. Centraal Bureau voor Genealogie Den Haag 1993 blz 35-38.
Bron: http://www.loegiesen.nl/artikelen/vernoemingsregels.htm
| Klik hier Click here |
@ | om een reactie te sturen to send a reaction |
Introductie: Home | Welkom | Verantwoording | Bronnen en Links
Genealogie: Tekstoverzichten | Grafische overzichten | Verwante families
Diversen: Achtergronden | Familiewapens | VOC | Andere info (geen genealogie)

